De oven (Halloweenverhaal)

In een stil huis werd Anaïs wakker. Ze draaide zich om en rolde tot in het midden van het tweepersoonsbed. Haar armen strekte ze wijd uit. Langzaam duwde ze zich rechtop en schoof ze op haar achterwerk naar de bedrand toe. Anaïs zwaaide haar benen uit bed en sprong vrolijk recht.
Ze volgde het bloedspoor langs de trap naar beneden. Daar wachtte een lege, rustige woonkamer haar op. Ze maakte een pirouette naast de zetel en danste langs de gang de garage binnen. Ze zwaaide even naar de bijl die bij de deur lag. Dan ging ze naar de diepvriezer. Daar lag haar man, netjes gelabeld in kleine pakketjes.
Anaïs zocht tussen ‘hersenen’, ‘rechterhand’, ‘darmen’, ‘linkerarm’… tot ze het label ‘hart’ vond. Daar had ze vandaag zin in. Het ijslaagje op de Tupperware-doos deed pijn aan haar vingers. Ze gaf ze door van de ene hand naar de andere, en weer terug. In de keuken liet ze de doos ontdooien in de zon, terwijl ze buiten de was ging open hangen. De frisse ochtendwind ging dwars door haar nachtkleed heen. Ze trok haar kamerjas van mensenleer wat verder dicht. De huid van haar man hield haar warm tot ze klaar was.
Toen ze weer binnenkwam, was het hart al wat zachter geworden. Anaïs zette de oven op 200 graden en wreef tevreden in haar handen. Straks zou het huis helemaal opgewarmd zijn en lekker ruiken.

(Verhaal naar aanleiding van een schrijfopdracht over kannibalisme bij de Friday Night Writing Party.)

Plaats een reactie