Onder de boom (verhaal)

Een straaltje licht sloop binnen in de kamer. Wanneer mama op de rand van het bed kwam zitten, deed Thomas alsof hij sliep.
‘Kan je niet slapen?’
Thomas deed één oog open en schudde van neen. Zijn onrustige hoofd strooide gedachten in het rond. Zou hij morgenvroeg nog tv kunnen kijken voor hij naar school vertrok? Wat als het regende en hij zijn jas vergat? Hoeveel keer moest hij nog slapen voor het schoolfeest? Vandaag had hij 18 grijze, 3 witte en 5 zwarte auto’s gezien op straat. Zou hij er morgen meer zien?
Mama aaide over zijn hoofd. ‘Zullen we samen eens diep ademen?’
Thomas en mama vulden hun longen met lucht. Daarna bliezen ze uit tot hun buik weer helemaal plat was.
‘Mama, hoe kunnen vliegtuigen vliegen?’
‘Sluit je ogen,’ zei mama. ‘Geef me je voeten maar.’
Mama nam zijn ene voet en begon zachtjes te masseren. Thomas’ been jeukte. Zou hij een muggenbeet hebben? Als hij die openkrabde, ontstak die dan? Moest hij dan weer naar het ziekenhuis?
‘Waarom worden mensen eigenlijk ziek?’ wilde hij weten.
Mama antwoordde niet. Ze begon luidop te dromen over Thomas, die in de tuin onder een boom lag. De takken boven hem ruisten in de wind. Elk van zijn gedachten mocht hij op een blaadje schrijven, en er dan een vliegtuigje van vouwen. De wind bracht alle vliegtuigjes naar mama, die ze tot morgen voor hem zou bewaren.

Zacht legde ze het deken over Thomas’ schouders. Hij was in slaap gevallen.

Plaats een reactie