Hieronder kan je voorbeelden lezen van mijn werk.
Fragmenten uit ‘Het glazen laarsje’, Doremini, oktober 2023


Gedicht ‘Veerpont’ in online tijdschrift van onze Leuvense schrijfgroep, Friday Night Writing Party, 2023

Fragmenten uit ‘De jongen die bevroor’, 2023, Averbode


Fragment uit ‘Mama heeft Crohn’, 2020, in samenwerking met Odisee Hogeschool, AZ Groeninge en Takeda

Fragment uit ‘Houd de dief’, 2019, Uitgeverij Het Punt

‘Vijf kippen’, verhaal op rijm geschreven tijdens een Friday Night Writing Party, januari 2024
Ik ging een kipje houden
Maar ging meteen al in de mist
De boerderij was net gesloten
Ik had mij van uur vergist
Nochtans zag ik het zo voor mij
Een kip op schoot voor de tv
Dat zou lekker warm zijn ’s avonds
Misschien kocht ik er wel twee
Ik ging twee kippen houden
Eén voor elk been
Tot ik besefte: ik ben een eenzaat
En dan die kippen om me heen
Zette ik ze dan maar buiten?
Dat deert kippen toch niet
Maar een ren voor maar twee kippen
Dan nam ik er beter drie
Ik ging drie kippen houden
Maar zo buiten, dat is koud
Dus zette ik een hok errond
Met palen en met hout
De gemeente kwam eens kijken
Ik tekende een papier
Een vergunning voor drie kippen?
Dan nam ik er beter vier
Ik ging vier kippen houden
De auto stond al klaar
Met een karretje erachter
En vier hokken naast elkaar
Tot de boer me vertelde
Over een actie op de boerderij
Als ik de dag erna vier kippen kocht
Kreeg ik de vijfde er gratis bij
Dus vandaag ben ik vroeg opgestaan
Heb ik een vijfde hok gekocht
Zat ik klaar in de auto
Reed ik tot aan de laatste bocht
Daar stond een bord: ‘Hier ijs te koop’
Ik dacht: kom, voor goede moed
Tot ik ervan likte
Echt, dat ijs was veel te goed
Ik dacht: wat moet ik met vijf kippen?
Als ik elke dag ijs eten kon
Dus morgen begin ik eraan
En start ik een ijssalon
De soldaatjes van lood, Universitaire Werkgroep Literatuur en Media, Bekroonde verhalen, Reizen, jaargang XXXIII, Nummer 1, Maart 2016.
Bekroond met de derde prijs in de categorie Flitsverhaal.
Heel lang geleden, in het land Melancholia, was er een meisje dat Annabel heette. Vroeger had ze in een huis op de grond gewoond, maar de mensen vonden haar zweverig en raar. Daarom had ze een hoge toren gebouwd, die tot in de wolken reikte, zodat ze tussen haar dromen kon gaan wonen.
Elke dag ging Annabel de tweehonderdtwintig trappen van de toren naar beneden om naar de markt te gaan. Dan huppelde ze door de straten en zei ze vrolijk goeiemorgen tegen iedereen die ze onderweg ontmoette. Sommigen keken haar achterdochtig aan, anderen wensten haar vriendelijk goeiemorgen terug. Nog anderen fluisterden duistere dingen achter haar rug, maar dat hield haar niet tegen om toch aardig tegen ze te zijn.
Wanneer ze bij de bakker, de kruidenier en het fruitkraam was geweest en haar rieten mandje volgeladen had met lekkernijen, keerde Annabel terug naar huis. Zo ging het elke dag.
Maar in de toren waar ze overdag de meest prachtige dromen voorbij zag komen, waren de nachten erg lang en donker. Wanneer Annabel sliep, kwamen de zwarte soldaatjes uit het Leger van Lood met touwen langs het raam haar kamer binnen gekropen. Ze bliezen haar hoofd vol donkere dromen, en op elk van haar voeten ging een loodmannetje zitten.
De dagen daarna sprong Annabel minder fit dan anders uit haar bed. Wat had ze naar gedroomd. Ze schudde de zwarte gedachten van zich af, maar de loodmannetjes bleven aan haar voeten hangen. Trager dan anders nam ze de lange trap naar beneden, huppelen op straat deed ze minder overtuigd. Toch bleef ze vriendelijk goeiemorgen zeggen tegen elke voorbijganger. Als ze deed alsof alles goed ging, zou ze zich sneller beter voelen.
‘Gaat het, Annabel?’ vroeg de bakker.
Annabel knikte. Ze was te moe om alles uit te leggen, maar als ze eens goed kon slapen, zou het weer beter gaan.
‘Je moet meer bewegen,’ zei de kruidenier.
‘Eet wat citrusvruchten,’ raadde de fruitventer haar aan.
Annabel haalde haar schouders op. Voor de zekerheid kocht ze enkele citroenen. Morgen zou ze zich vast beter voelen.
’s Nachts slopen er nog meer soldaatjes uit het Leger van Lood haar kamer binnen. Ze gingen op haar schouders staan en trokken aan haar armen. Annabel werd verschillende keren wakker. Dan lag ze in haar bed en keek ze naar de zwarte kamer om zich heen. Ze woelde en wenste dat haar schouders niet zo’n pijn zouden doen. Toch geraakte ze terug in slaap. Nu nog wel.
Overdag rende Annabel de tweehonderdtwintig treden van de trap niet meer naar beneden, maar slenterde ze. Huppelen kon ze niet meer en haar schouders liet ze hangen. Ze sleepte zich naar de markt, kocht snel wat ze nodig had, en ging weer naar huis. De voorbijgangers zei ze nog amper gedag.
‘Gaat het wel, Annabel?’ vroeg de bakker weer.
‘Misschien kan je dit pilletje eens proberen,’ wees de kruidenier.
‘Kruip ’s avonds wat vroeger in je bed,’ zei de fruitventer.
Annabel glimlachte vriendelijk en wuifde de bezorgdheden weg. Tussen de donkere mist in haar hoofd was het moeilijk om woorden te vinden en uitleg te geven. Hopelijk zou het snel beter gaan. Voor de zekerheid kocht ze nog maar wat citroenen, en nam ze het pilletje van de kruidenier in.
Die nacht onweerde het. De bliksem kleurde de toren wit en de soldaatjes van het Leger van Lood gingen op elkaars schouders staan om akelige schaduwen op de muren te werpen. Annabel zat rechtop in bed rond te kijken, haar knieën dicht tegen zich aangetrokken. Als ze tussendoor toch even in slaap viel, trokken de soldaatjes aan haar haren en dansten ze op haar buik. Allemaal samen gingen ze op haar voeten zitten, als kleine kinderen die mee willen rijden. Woelend en draaiend probeerde Annabel tevergeefs de slaap te vatten, maar ze kreeg alleen maar nachtmerries. Ze probeerde wakker te blijven, zodat de angstdromen niet meer konden komen.
Die ochtend besliste Annabel om niet naar de markt te gaan. Met de restjes van gisteren zou ze ook wat kunnen eten. Ze wilde de mensen liever niet onder ogen te komen. Met loodzware benen sleepte zich van haar bed naar de zetel. Zo. Hier kon ze een beetje rusten van de demonen in haar hoofd.
Om elf uur belde de kruidenier. Of ze vandaag niet naar zijn kraam kwam? Annabel legde uit dat ze zich niet lekker voelde.
‘Dan ben je zeker niet op tijd gaan slapen,’ antwoordde de kruidenier. ‘En je hebt het pilletje niet genomen dat ik je gegeven heb.’
Annabel wilde uitleggen dat ze dat wel had gedaan, maar toen ze haar mond opendeed om te antwoorden, had de kruidenier de telefoon al ingehaakt. Wat later belde de fruitventer.
‘Heb je wel van je citroenen gegeten?’ vroeg hij.
Annabel wreef over haar maag. Waar die hoorde te zijn, leek een groot gat te zitten. Ze kreeg geen hap door haar keel.
‘Ga dan naar buiten,’ zei de fruitventer. ‘Frisse lucht is goed voor je. En kom langs mijn kraam.’
Annabel zuchtte en hing de telefoon neer. Daarna belde de bakker.
‘Gaat het wel, Annabel?’ vroeg hij.
Annabel haalde haar schouders op. Dat kon de bakker natuurlijk niet zien. Ze bleven een tijdje stil, elk aan hun kant van de telefoon, tot de bakker inhaakte.
’s Nachts lag ze in haar bed met haar ogen open. Ze staarde naar het zwarte plafond. In slaap vallen lukte haar niet, want dan zouden de nachtmerries dansen in haar hoofd en de soldaatjes op haar ribben. Het Leger van Lood verzamelde zich naast haar kussen en fluisterde haar donkere woorden in. Wat als het kasteel instortte? Wat als de fruitventer morgen stierf? En zij de telefoon zomaar had opgehangen? Wat als de bakker boos op haar was? Ze woelde en keerde en legde haar deken over haar hoofd, en van zich af, en weer over zich heen. Ze ging rechtop zitten in bed, ze ging neerliggen in bed. Ze draaide zich op haar buik, haar rug, haar zij. Het werd licht buiten. Het was ochtend.
Annabel ging naar het raam en keek naar beneden. Daar woonden de normale mensen, die niet gevangen zaten in een toren van hun dromen die nachtmerries waren geworden. Zouden ze het merken als ze niet meer naar de markt kwam? Zouden ze haar missen? Zou ze kunnen vliegen?
Ze schrok op van geklop aan de deur. Voorzichtig deed ze open op een kier. Het was de bakker.
‘Mag ik binnenkomen?’
Beschaamd keek ze om zich heen. Op de grond lagen kleren, dekens en kussens. De tafel was beklad met etensresten. Met gebogen hoofd opende ze de deur om hem binnen te laten.
De bakker waadde door de rommel en zette een mand met broodjes en koekjes op de tafel, midden in een plas confituur. Dan ging hij zitten op haar onopgemaakte bed. Hij klopte met zijn hand naast zich en ze nam plaats. Zo zaten ze naast elkaar, in stilte.
‘Waren het de soldaatjes van het Leger van Lood?’ vroeg de bakker plots.
Annabel schrok. Ze wilde haar geheim het liefst verstoppen, maar knikte toch, amper zichtbaar.
De bakker stond op. Ze greep zijn arm, was bang dat hij weg zou gaan. Maar hij nam de dekens van de grond en sloeg die om haar heen.
‘Ik zal waken,’ zei hij. ‘Tot morgenvroeg als het moet. En als de soldaatjes komen, jaag ik ze weg.’
Heel zachtjes legde hij Annabel neer in bed. Dan nam hij een stoel en ging hij naast haar zitten.
Annabel legde haar hoofd op haar kopkussen en nam voor de zekerheid de hand van de bakker in de hare. Al snel vielen haar ogen dicht. Voor de eerste keer in maanden sliep ze.
